From 1 - 10 / 60
  • Het LGN6 bestand is een landsdekkend rasterbestand met een resolutie van 25 meter waarin 39 vormen van landgebruik zijn onderscheiden. In het bestand worden de belangrijkste landbouwgewassen, een aantal natuurklassen en stedelijke klassen onderscheiden. Het LGN6 bestand heeft enkele belangrijke wijzigingen ondergaan t.o.v. LGN5. De geometrie en thematiek op hoofdklassen is nu volledig gebaseerd op Top10vector (versie 2006). Agrarische percelen, kassen, boomgaarden, fruitkwekerijen, boomkwekerijen, zand, heide, bossen, water en infrastructuur zijn overgenomen uit Top10vector. Het stedelijk gebied is gedefinieerd m.b.v. de bestanden Begrenzing Bebouwd Gebied (BG2003) en Bestand BodemGebruik (BBG). Voor de verdere invulling van de hoofdklassen is o.a. gebruik gemaakt van satellietbeelden van 2007 en 2008, luchtfoto’s, Basiskaart Natuur 2007 (BKN2007) en LGN5. De definities van de landgebruiksklassen zijn aangescherpt. Landgebruiksbestanden LGN1 en LGN2 waren nog experimentele bestanden met beperkte nauwkeurigheid en duidelijke tekortkomingen. In LGN3 zijn deze tekortkomingen grotendeels opgelost en met LGN3plus is de bruikbaarheid van het bestand voor toepassingen op het gebied van natuur en ecologie sterk verbetert. Met het LGN4-bestand is een nieuwe stap gezet met het uitbreiden van de toepassingsmogelijkheden van het LGN-bestand. Belangrijke verbeteringen die doorgevoerd zijn in het LGN4-bestand zijn een koppeling van de landbouwgewassen aan TOP10-vector en de mogelijkheid om veranderingen in landgebruik op te sporen, die zich in de periode 1995-2000 hebben voorgedaan. De versies 1-3 van het LGN-bestand werden geleverd als één enkel rasterbestand. Het LGN6-bestand bestaat net als het LGN4 en LGN5-bestand niet uit een enkel rasterbestand, maar vormt een collectie van bestanden.

  • Aan de basis van de vele gezichten van Brabant ligt de afwisseling van de niet-levende natuur: van reliëf, bodemtype en watersysteem. Slechts op sommige plaatsen hebben de (fossiele) verschijnselen van de niet-levende natuur nog een gave vorm of zijn aardkundige processen actief, hier is sprake van aardkundige waarden. De Provincie Noord-Brabant wil haar aardkundige waarden behouden en door het benoemen van aardkundige monumenten de bijzondere verhalen van die gebieden vertellen aan een breed publiek. Het puntenbestand geeft indicatief de ligging van de aangewezen monumenten weer. Het bestand zal worden uitgebreid als meer monumenten worden aangewezen.

  • Archeologische beleidsadvieskaart van de Walcherse gemeenten voor wat betreft de bekende archeologische vindplaatsen.

  • Categories  

    Het model GeoTOP geeft een gedetailleerd driedimensionaal beeld van de Nederlandse ondergrond tot een diepte van ongeveer 50 meter onder maaiveld. Het model is feitelijk de bovenkant van de modellen DGM en REGIS-II en bestrijkt het deel van de bodem dat door ons het meest intensief wordt benut. GeoTOP vormt de basis voor het beantwoorden van vragen op het gebied van de ruimtelijke ordening van de ondergrond, de ondiepe delfstofwinning en het grondwater. Het model draagt bij aan het verkrijgen van inzicht in de geologische ontwikkeling van Nederland en vormt het fundament voor hydrogeologische, geotechnische en geo-archeologische toepassingen en voor overig geowetenschappelijk onderzoek.

  • Categories  

    Het Digital Geological Model (DGM) v1.3 is een door TNO Geological Survey of the Netherlands ontwikkeld digitaal model van de ondergrond van het Nederlandse vasteland tot een diepte van ca. 500 meter. Het DGM geeft door middel van ESRI-grids en shapes inzicht in het voorkomende diepteligging en de dikte van geologische eenheden alsook in de ligging van breuken.Het DGM is gebaseerd op de nieuwe lithostratigrafische indeling van de Formaties van het Boven-Tertiair en Kwartair. De gecombineerde seismo-lithostratigrafische indeling is gebruikt voor alle eenheden ouder dan Boven-Tertiair met uitzondering van afzettingen uit het Krijt in Zuid-Limburg. Het DGM wordt in opdracht van TNO Geological Survey of the Netherlands periodiek onderhouden; DGM v1.3 vervangt DGM v1.2. Belangrijke wijzigingen ten opzichte van de voorgaande versie betreffen:een herziening van de interpretatie in de provincie Noord-Holland en het noordelijke deel van Zuid-Holland; een herziening van de breukenkaart in Zuid Limburg. Verspreid over het land is daarnaast de selectieset van boringen op beperkte schaal aangevuld met waardevolle nieuwe boringen; zijn boringen uit de selectieset verwijderd; en zijn stratigrafische interpretaties waar nodig bijgesteld.Tevens is het model aangevuld met betrouwbaarheidsgrids. Met de betrouwbaarheidsgrids wordt inzicht gegeven in de kwaliteit van de gemodelleerde vlakken van het DGM lagenmodel waarmee de gebruiker zich een oordeel kan vormen over de toepasbaarheid van de vlakken. Tevens wordt de kans op voorkomenvan iedere Formatie weergegeven.

  • Bestaande netwerk van Nationale Streekpaden. Er zijn in Nederland 18 streekpaden van 80 tot 350 km lang, die aanvullend zijn op het LAW hoofdnetwerk. Totale lengte ca. 4000 km.

  • De provincie Utrecht legt een norm vast voor het beschermingsniveau van regionale waterkeringen. Deze keringen zijn in beheer bij het waterschap (Waterschap Vallei en Veluwe). Dit is gedaan in het besluit van provinciale staten van Utrecht van26 oktober 2009 en van Gelderland van dd Gelderland van 23 september 2009 tot algehele herziening van de regelgeving voor het Waterschap Vallei en Veluwe met betrekking tot het waterbeheer. Revisie 2018 is vastgelegd in het besluit van provinciale staten van Utrecht van 10 december 2018 en van Gelderland van 7 december 2018. Wijzigingen treden in werking per 1-1-2019.

  • De Nulmeting op Kaart 2007 (NOK2007) geeft een landelijk beeld van de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en Recreatie om de Stad (RodS) op 1 januari 2007. Het betreft realisatie van de begrenzing, verwerving en inrichting. Het is het gezamenlijke vertrekpunt van LNV en de provincies van de stand van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) bij de start op 1 januari 2007. De NOK2007-kaart bestaat uit drie onderdelen: voortgang van de EHS, voortgang van RodS en eigendommen van BBL buiten de begrenzingen van EHS en RodS. Er zijn in hoofdlijn 2 instrumenten om de EHS te realiseren. 1: Percelen worden aangekocht (meestal door DLG) en ingericht. Deze percelen levert DLG door aan een terreinbeheerder. Het moment van doorlevering kan voor of na de inrichting zijn. En 2: Particulier natuurbeheer. De informatie uit beide lijnen is op kaart gezet. Voor meer informatie: zie het rapport 'Eindrapportage Nulmeting op Kaart (NOK) - november 2009' op http://edepot.wur.nl/352983

  • Het LGN6 veranderingsbestand is een landsdekkend rasterbestand met een resolutie van 25 meter. Dit bestand geeft plaatsen aan waar het landgebruik in de periode 2003-2008 is veranderd voor de 8 monitoringsklassen. Het bestand biedt de mogelijkheid om met behulp van het monitoringsbestand veranderingen in het landgebruik tussen 2003 en 2008 te volgen. A.g.v. veranderingen in de methodiek bij de vervaardiging van LGN6 kan het zijn dat de monitoringsklassen van LGN5 en LGN6 gelijk zijn gebleven terwijl er wel een landgebruiksverandering is opgetreden in betreffende periode.

  • Dit bestand bevat bufferzones van 250 meter rondom de verzuringsgevoelige gebieden (obv WAV). Met de Wet ammoniak en veehouderij (WAV) beperkt het Rijk de ammoniakuitstoot en daarmee de verzuring in de omgeving van natuurgebieden. De provincie Groningen heeft op basis van deze wet de voor ammoniak gevoelige gebieden aangewezen (zie Omgevingsverordening 2016). In deze zeer kwetsbare gebieden en in een bufferzone van 250 meter daar omheen mogen zich geen nieuwe veehouderijen vestigen en zijn de uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande veehouderijbedrijven beperkt. Deze dataset is opgenomen in de Provinciale Omgevingsvisie 2016-2020 en de Omgevingsverordening 2016.